04-02-2007 - Dit verhaal heb ik gemaakt op 25 januari 2007, ik ben nu 13 jaar.
Aimèe
Aimèe liep door de voordeur van haar huisje.
Ze trok de deur achter zich dicht en keek eens voor zich uit.
Mensen hadden nooit begrepen waarom ze hier zou willen wonen.
Haar huisje stond op een rots, dat lag in een kaal graslandschap.
In het kale graslandschap stonden hier en daar een paar ruige bomen.
Achter het grasland lag een heuvel.
Aimèe liep de rots af en stak het grasland over.
Ze liep naar de heuvel, háár heuvel.
Aangezien hier nooit iemand kwam, en zij elke dag, is het een soort thuis voor haar.
Ze weet natuurlijk heel goed dat het van de Natuur is.
En de Natuur weet dat zij dat weet.
Ze liep de heuvel op en riep drie keer heel hard.
Toen ze klaar was met haar derde roep kwamen er drie grote Bernersenners aangerend.
Toen ze bij haar waren kregen ze een aai over hun kop en gingen ze naast haar zitten,
zonder dat ze dat vroeg.
Ze hadden geen van drieën een halsband om, maar hadden alledrie een naam.
Beer: sterk, lief en de grootste van de drie.
Vriend: lief, speels en wil vaak geknuffeld worden.
Lou: ook heel lief, rustig en de oudste en de wijste van de drie.
Het waren alledrie reutjes.
Het waren samen de drie beste vrienden die iemand zou kunnen hebben.
Al was er één Bernersenner reu die net zo lief, wijs en speels was.
Maar die was er nu niet meer.
Ooit had die geleefd, en was de beste vriend van Aimèe toen ze nog jong was.
Ze zou hem nooit, maar dan ook nooit vergeten.
Aimèe liep samen met haar drie grote vrienden naar huis.
Maakte de deur open en ze liepen naar binnen.
Vriend, Lou en Beer kregen lekker hertenvlees.
Aimèe ook maar dan uit een pannetje boven het haardvuur.
Toen ze klaar waren met eten en wat gedronken hadden gingen ze gezellig met zijn vieren voor de haard liggen.
Om tien uur hoorde ze zacht gesnurk, Vriend en Lou sliepen al.
Vriend lag tegen haar aan en Lou voor het haardvuur.
Alleen zij en Beer waren nog wakker.
Beer had ruzie met de bal die steeds maar weg rolde.
Aimèe schoot in de lach, Beer hoorde het en begon te kwispelen.
Aimèe pakte de bal, liep naar buiten en gooide de bal ver weg.
Zo ver weg dat als Beer terug was gekomen en zo hard had gerend hij moe zou zijn en direct in slaap zou vallen.
Beer holde de bal achterna, zo hard als hij kon.
Even later was hij weer bij Aimèe aan gekomen met de bal.
Aimèe pakte de bal, aaide hem over zijn kop, en ze gingen naar binnen.
Na twee minuten hoorde Aimèe drie snurkende Berners.
En viel zelf ook in slaap.
Ze werden wakker en hoorde buiten de wind hard waaien.
Ze gingen naar buiten, want het was prachtig weer.
Het waaide hard, de lucht was grijs en de bomen bewogen heen en weer door de wind.
Mensen die ‘anders’ zijn dan Aimèe zouden het niet bepaald ‘mooi weer’ noemen.
Maar voor haar was het perfect.
Ze liep de heuvel op en ging op het hoogste punt staan.
Ze voelde zich één, één met de natuur, met alles wat leeft, behalve de mensen.
Want mensen waren slecht, allesvernietigend en meedogenloos.
Geef Aimèe maar de Natuur met zijn prachtige uiterlijk.
Geef haar maar de natuur die geen onderscheid maakt, maar alles en iedereen accepteert zoals die is.
Aimèe sloot haar ogen, strekte haar armen uit naar opzij en voelde zich sterk.
Ze voelde zich machtig, sterk en onverwoestbaar.
De wind gaf haar kracht zoals niemand anders dat kon.
Het leek alsof zij de wind was, ruig en sterk.
Zo stond ze minuten lang.
Haar armen liet ze weer naar beneden zakken, maar met haar hoofd omhoog, en deed haar ogen weer open.
Ze zag iets in de lucht, geen vogel of vleermuis of zo.
Maar ze dacht dat ze, ja zag ze het goed?
Ze zag Citrenist!!
De god van de natuur en alles wat er bij behoort.
De groene god, zoals ze hem noemde.
Het leek wel alsof Citrenist haar wat wou vertellen, maar wat?
Eerst was hij groot en machtig, wild en woest.
Daarna leek hij te krimpen en hij werd steeds rustiger.
Niet meer zijn natuurlijke zelf.
Daarna werd hij zichzelf weer en het leek alsof hij haar aankeek.
Toen was hij plotseling weg en begon het te regenen.
Ze riep drie keer.
De drie Berners kwamen aangehold, kregen een aai over hun kop en gingen naast haar zitten.
Ze liepen met z’n vieren naar huis, gingen wat eten en vielen in slaap.
De volgende morgen werden ze wakker en het regende heel hard.
Aimèe ging nu niet naar de heuvel maar ging eerst nog wat eten.
Het begon te stormen, de deur waaide open en dicht en open, dicht, open, dicht, open, dicht, open, dicht, en zo ging het een tijdje verder.
Opeens hoorde ze een knal en zag een flits, het onweerde.
De drie Berners werden onrustig maar nadat Aimèe had gezegd dat ze maar moesten gaan spelen, gingen ze spelen.
Aimèe keek naar de deur, maar ze zag hem nergens, weggewaaid.
Ze keek door het gat waar eerst de deur zat, de lucht was grijs en dicht.
Opeens hoorde ze kraken, daarna hoorde ze geschuif, weer kraken, en toen regende het binnen.
Het dak dat er zonet nog opzat, was er ook af gewaaid.
Aimèe wist dat als ze hier nog langer zouden blijven, ze of dood zouden vriezen, of ze geplet werden door de muren.
Dus waren er twee opties; hier blijven en zeker weten dat je dood ging, of weg, weg hier vandaan met hun spullen.
Optie twee.
Haar vrienden konden niet zelf beslissen of ze hier bleven of weggingen, want ze bleven bij haar, hoe dan ook.
Aimèe keek eens rond in haar huisje (wat er nog van over was)en stopte al het overgebleven hertenvlees in een linnen doek.
Ze pakte de bal van Beer, het kussen van Lou en het bot van Vriend.
Die drie spullen wikkelde ze ook in een doek.
Drinken konden ze wel ergens bij een beekje dus daar hoefde ze zich geen zorgen over te maken.
Maar waar ze zich wel zorgen over moest maken dat was de tijd, lang had ze niet meer voordat het huisje het zou begeven.
Ze pakte haar paarse steen met het kleine gaatje erin, reeg een koordje erdoor heen en hing hem om haar nek.
Ze pakte nog drie willekeurige stenen, hing ze alledrie apart om een koordje en bond ze om de nekken van haar vrienden.
Ze pakte nog een boek en stopte die tussen de spullen van haar vrienden.
Ze liepen bij het huis vandaan.
Toen ze op de heuvel stond, keek ze achterom, haar huisje veel voor haar ogen neer.
Het huisje waar ze zo lang heeft gewoond, haar herinneringen had liggen.
En die waren nu net als het huisje, weggewaaid en ingestort.
Ze vervolgeden hun reis tot het donker was.
De wind begon toe te nemen en ze hadden dringend een schuilplaats nodig.
In de verte zagen ze een huisje, ja er kwam rook uit de schoorsteen!!
Aimèe klopte aan.
Er deed een jongen open van ongeveer haar leeftijd.
Hij glimlachte en vroeg wat er was.
Aimèe legde het uit en ze mochten naar binnen.
Hij heette Ribun.
Hoe heet jij eigenlijk???
Aimèe.
Mooie naam, Ribun glimlachte.
Hij keek haar met een waarderende blik in zijn ogen aan.
De blik waar Aimèe een hekel aan heeft.
Hij keek naar haar als een dier dat nodig eten nodig had.
En zij was dat eten.
Uhm, ja waar kunnen we slapen???
Ohja slapen, Ribun deed alsof hij het was vergeten.
Hiernaast is mijn slaapkamer antwoordde hij.
Ik heb nog wel een hooizak waar jij op mag liggen.
Of als dat je niet bevalt mag je bij mij komen liggen.
Nee hoor, die hooizak bevalt me prima, zei Aimèe.
Hij leek niet teleurgesteld te zijn.
Maar toen Aimèe zei dat ze liever bij haar vrienden in de woonkamer wou slapen, toch wel.
Nou wat je wilt hoor, zei hij.
Maar als je je bedenkt ben je welkom.
Ik bedenk me niet hoor.
Na Aimèe`s opmerking was het stil en bood hij haar en haar vrienden wat te eten aan.
Ze dronken, aten en gingen daarna slapen.
Toen ze wakker werden bedankte Aimèe Ribun en vertrokken ze.
Ze liepen met z`n vieren door het bos.
Want Ribun`s huisje stond aan de rand van een bos.
Aimèe verzamelde droog hout en zei tegen de drie Berners dat zij dat ook moesten doen.
Even later kwam iedereen terug met wat droog hout.
Het begon te regenen, Aimèe had toen ze hout aan het zoeken was al een lege grot gezien.
Ze liepen naar de grot en namen hun hout mee.
Aimèe maakte een vuurtje en ze besloten het hertenvlees wat ze hadden mee genomen uit hun eigen huisje, nog niet op te eten.
Want ze wisten niet wat er nog kon gaan gebeuren.
De volgende morgen heerste er een donkere lucht en zag je bijna niks.
Het leek nacht, maar niet een mooie nacht met sterren of bewolkt, nee dit leek een grijze, kille nacht.
Aimèe hoorde paardengetrappel en geschreeuw.
Het leek wel een soldaat!
Aimèe vertelde haar vrienden dat ze nog even in de grot moesten blijven wachten.
Toen hoorden ze alle vier nog meer getrappel en geschreeuw.
Ze hoorden de soldaten praten:
Hé makker, daar staat een huis met wat rook uit de schoorsteen.
Goed dat je dat zegt maatje, als we iedereen van de koning gevangen moesten nemen of wegjagen van dit land zodat hij er zijn 7de paleis kan bouwen, zullen we die in het huisje ook wel even pakken.
Zo gezegd zo gedaan, ze reden er op af, trapte de deur in, en ze grepen Ribun vast.
Aimèe kon dit alles volgen.
Maar wacht eens, dit klopt niet!
Als ze zeggen dat ze hun weg moesten jagen, waarom namen ze dan ook al zijn bestek en borden?
Dit zijn de meest waardevolle spullen in onze tijd, dacht Aimèe.
Maar als Aimèe nu zou komen om Rubin te verdedigen, zou zij ook gepakt werden.
Niet dat ze dat zo heel erg vond, maar wat moest ze dan doen met haar vrienden?
Als ze hier bleven verhongerden ze, als ze mee gingen werden ze misschien pijn gedaan, het was dus handiger om hier te blijven en te wachten.
Het was middag toen ze eindelijk er heen konden.
De drie Berners liepen achter haar zoals ze wou.
Toen ze aan kwamen bij Rubin`s huisje zagen ze wat de soldaten voor schade hadden aangebracht.
De deur was ingetrapt, zijn bed was omgekeerd, zijn niet al heel stevige tafeltje lag uit elkaar.
De tafel en het bed was alles wat een mens bezat in die tijd, soms bezat iemand borden en bestek, maar dat kwam heel zelden voor omdat het zo waardevol was.
En dus ook het enige wat Rubin bezat, alles maar dan ook alles hadden de soldaten stuk gemaakt.
En ze hadden zelfs het waardevolste wat toen waardevol was meegenomen!
Schoften! Vuile schoften.
Aimèe zat hard op te praten en besefte wat voor een geluk ze had dat haar huisje was ingestort.
Want als dat niet zo was geweest, waren zij ook meegenomen.
Op dit moment wenste ze dat ze dit had gedroomd, het niet echt was, dat ze wakker zou worden bij de openhaard.
Maar integendeel, de realiteit begon nu pas goed bij haar door te dringen.
Ze liepen al uren door het bos zonder een beekje te zien, ze waren uit gedroogd.
Opeens hoorde een van de Berners iets.
Het was Beer, hij rende en wij renden hem achterna.
Beer stopte bij een beekje en begon haastig te drinken.
Ik gaf een aai over Beer`s kop maar ook over die van Lou en Vriend omdat ze zo dapper zijn.
Opeens jumpte Vriend de sloot in.
En kwam even later weer eruit met een vis in zijn bek.
Hij ging liggen en at hem op.
En tegelijkertijd sprongen Lou en Beer ook in de sloot.
Even later kwamen ook zij met een vis.
Toen liep Lou naar mij toe in plaats van te gaan liggen en hem op te peuzelen.
Hij liet de vis los boven mijn schoot, hij was voor mij.
Ik bedankte Lou en gaf hem een aai over zijn koppie.
Weer sprong Lou de sloot in en kwam weer terug met een vis en at hem zelf op.
De Berners waren nog steeds hongerig, en ik eigenlijk ook.
Deze keer gingen ze samen één vis vangen.
Een snoek.
Ik zag hem snel zwemmend door de rivier gaan, voor niets en niemand bang.
Even was ik bang, dat een van hen iets zou overkomen door die snoek.
Maar toen ze hem te grazen namen schoot ik alleen maar in de lach.
Want ze deden het zo grappig, klunzig maar toch wel slim, dat ze hem uit eindelijk te pakken hadden.
Er was een probleempje,
Ze kregen hem niet uit het water.
Dus kwam ik hun helpen en trok de vis op de kant.
De Berners gingen snel eten van de vis.
Even keken ze op naar mij, maar ik schudde van nee en ze aten de vis verder op.
Het begon te schemeren, de vis was op en we hadden geen van allen honger of dorst meer.
Ik wist dat ik iets moest doen, opstaan of iets roepen maar er kwam geen geluid uit mijn keel.
Voor mij stonden vijf soldaten.

Mail beheerder
|